Werkgeluk in het PO Interview professor Veenhoven

Dat geluk geen zweverig onderwerp is, bewijst professor Ruut Veenhoven. Hij onderzoekt al ruim veertig jaar lang het onderwerp geluk, en wat mensen gelukkig maakt. Uiteraard is veel daarvan ook van toepassing op de werkvloer. En omdat Klassewerkplek zich richt op het werkgeluk van leerkrachten, besloten we om op de koffie te gaan bij professor Veenhoven. Die – zoals het een echte wetenschapper betaamt – meteen duidelijk maakt dat hij het gesprek ingaat in de context van onze welvarende westerse maatschappij, want dat is een belangrijke basis als het gaat om geluk.

Professor Veenhoven, uit uw onderzoeken blijkt dat autonomie een belangrijke voorspeller van geluk is. Kunt u verklaren waarom dat is?

Mensen weten meestal zelf wel wat hen gelukkig maakt, en als je autonoom bent kun je daar ook naar handelen. Omgekeerd, als je afhankelijk bent gaan anderen voor je bepalen hoe je leeft en is de kans kleiner dat dat een leven leidt is dat bij je past, bijvoorbeeld als je ouders bepalen wat je beroep wordt en met wie je trouwt.

U heeft onderzoek gedaan naar stijlen van lesgeven en de impact daarvan op het geluk op latere leeftijd. Daaruit blijkt dat participatief lesgeven bijdraagt tot meer geluk, en dat we daar in Nederland goed op scoren. Wat kwam u allemaal tegen in dit onderzoek?

Allereerst dat er grote verschillen zijn in stijl van lesgeven in Europa, waarbij Nederland behoort tot de landen waarin het meest participatief wordt lesgegeven en Frankrijk als het minst participatief uit de bus komt. Het gaat daarbij om de mate waarin de leerkracht als orakel optreedt of als coach. De praktijk van lesgeven is gemeten met vragenlijsten onder leerlingen en leerkrachten in 37 ontwikkelde landen. Data hebben betrekking op de eerste klas van de middenschool (grade 8) en het vak wiskunde. Er blijkt geen verband tussen het gemiddelde geluk van 11 tot 15 jarigen en de wijze van lesgeven in het land, maar wel een sterk verband tussen wijze van lesgeven en het geluk van volwassenen.

Dat volwassenen gelukkiger zijn als ze in hun jeugd participatief onderwijs hebben genoten komt volgens mij doordat hun autonomie getraind werd, waardoor ze later beter in staat zijn een levenswijze te volgen die bij hen past. Ze hebben geleerd zelfstandig na te denken, zijn zich beter bewust van hun eigen voorkeuren en hebben zich leren uitspreken over eigen mening.

Participatief lesgeven vergroot de vermogens om autonoom te handelen. En autonomie vergroot uiteindelijk het geluk. Die autonomie moet dan uiteraard wel geboden worden (u noemt dit sociale autonomie: autonomie veroorzaakt of beperkt door externe factoren). Welke rol ziet u hier voor werkgevers weggelegd?

In Nederland hebben werkgevers te maken met werknemers die overwegend participatief onderwijs hebben gevolgd en daarmee een behoorlijke mate van psychische autonomie hebben ontwikkeld. Die werknemers vragen meer sociale autonomie op het werk en kunnen ook meer aan.

Je zou kunnen zien dat we mensen opleiden voor een autonoom bestaan in hun arbeidsleven, maar dat het leiderschap nog niet overal is ingericht op het optimaliseren van het effect van die autonomie.

Uit het onderzoek van Klassewerkplek blijkt dat leerkrachten voor hun geluk eerder kijken naar schoolleiders en ontwikkelmogelijkheden dan naar salaris en werkdruk. Is dit iets wat u breder terugziet?

Salaris en werkdruk worden sterk onder de aandacht gebracht door belangenbehartigers van het onderwijs, waaronder de vakbonden. Daar is niets mis mee, maar we moeten niet denken dat geld en werkdruk erg bepalend zijn voor geluk.

In welvarende landen zoals Nederland is er maar weinig verband tussen relatief inkomen en geluk en dat geldt ook voor het aantal werkuren. Veel-werkers blijken eerder gelukkiger dan werknemers die weinig uren maken, vooral in beroepen die ze uitdagend vinden.

Het blijkt dus dat Nederland goed scoort op participatief lesgeven en de invloed daarvan op het geluk op latere leeftijd. Welke tip hebt u voor werkgevers in het algemeen en schoolleiders in het bijzonder om deze basis voor autonomie optimaal te benutten in de werksfeer?

Werkgevers moeten altijd een midden weten te vinden tussen eisen van de bedrijfsvoering en verlangens van werknemers over invulling van hun werk. Op scholen moet nu eenmaal een bepaald leerplan worden gerealiseerd en dat beperkt de mogelijkheden om meer te doen van wat jezelf het meest leuk en zinvol vindt.

Ik overzie niet welke marges voor ‘job-crafting’ er bestaan in de diverse vormen van onderwijs in Nederland. Ik kan me voorstellen dat helderheid daarover bevorderlijk kan zijn voor het geluk van onderwijsgevenden.

Bewustzijn van de mogelijkheden (ook wel potentiële vrijheid genoemd) maakt geïnformeerde keuzes mogelijk, waaronder ook de keuze om van het standaard patroon af te wijken. Dit bewustzijn van mogelijkheden tot eigen invulling van het onderwijs kan op verschillende manieren versterkt worden, bijvoorbeeld door voorbeelden van eigen invulling te laten zien in onderwijsbladen of in gesprekken met leidinggevenden. Ook het heel duidelijk hebben van de kaders waarbinnen autonomie heerst, is daarbij belangrijk.

Tot slot, is er nog iets dat u wil meegeven aan de lezers?

Het is belangrijk om te beseffen dat geluksgevoel functioneel is. Als je je rot voelt is er kennelijk iets mis en dwingt het gevoel om eerst uit te zoeken wat er schort. Omgekeerd, als je je prettig voelt is dat een signaal van moeder natuur dat het goed met je gaat en dan ga je ook meer. Uit allerlei onderzoek blijkt dat positief gevoel je activeert en je waarneming verbreedt. Daardoor zie je ook beter wat er in andere mensen omgaat en krijg je makkelijker een band met ze. Als je je lekker voelt is het ook makkelijker om ‘out of the box’ te denken. Kortom, gelukkige docenten zijn vereist voor een een optimaal pedagogisch klimaat.

Je gebruikt een verouderde webbrowser

Deze website maakt gebruik van moderne technieken die niet worden ondersteund door jouw webbrowser. Update mijn webbrowser

×